Tom heeft het moeilijk. Door een ongeluk is hij verbrand. Hij heeft een lelijk gezicht. Iedereen kijkt hem
altijd aan. Iedereen schrikt van hem.
Hij wordt ook vaak uitgescholden. Voor "monster"... Daarom blijft Tom het liefst thuis. Daarom speelt hij
nooit buiten. Hij wil zelfs geen boodschap doen.
Maar op een dag wordt alles anders. Dan redt Tom een vogel. En door die vogel krijgt hij een vriend. Een
vriend die niet schrikt van zijn verbrande gezicht.
Lees hier een stukje van Gerda over dit boek...
Ik heb dit boekje geschreven omdat ik weet, dat er veel kinderen zijn die het moeilijk hebben omdat er iets
bijzonders met ze is. Iets met hun uiterlijk, iets wat iedereen dus kan zien en waardoor ze opvallen. Dat
kan bijvoorbeeld komen doordat ze een bril moeten dragen met dikke glazen, of omdat ze een vergroeide hand
hebben of flaporen of... littekens van ongelukken.
Kinderen willen niet anders zijn dan andere kinderen; ze willen op die manier niet opvallen. Vaak worden ze
ook nog geplaagd met dat bijzondere uiterlijk. Kinderen kunnen daar erg onder lijden. (volwassenen natuurlijk
ook)
Een van onze eigen kinderen is op tweejarige leeftijd verbrand geweest. Hij kreeg kokend water over zijn gezicht
en arm. Ik heb hem onmiddellijk onder de douche gezet en daarom heeft hij geen blijvende littekens in zijn
gezicht gekregen, behalve twee kale plekken in zijn haar, maar die zie je niet. Wel heeft hij een litteken
op zijn arm. De littekens van brandwonden zijn vaak erg goed te zien. Daarom koos ik ervoor om Tom brandwonden
te laten krijgen.
Terug naar de beschrijving...
Eindelijk komt hij bij de winkel.
Het is een grote supermarkt.
Tom gaat naar binnen.
Nog steeds hoort hij wat Martijn heeft gezegd.
Het zit in zijn hoofd en het wil niet meer weg.
Martijn zei: "Het monster uit de Eikenstraat".
Dat ben ik, denkt Tom verdrietig.
Een monster.
Een griezel.
Tom slikt.
In zijn keel zit een dikke brok.
Zijn ogen zijn warm.
Ze prikken.
Maar Tom wil niet huilen.
Hij is een jongen!
Straks wordt hij acht jaar.
Grote jongens huilen niet meer.
Terug...
Tom steekt zijn hand uit.
"Piet, piet," lokt hij zacht.
"Kom eens bij Tom?
Ik doe je niets.
Echt niet!
Bij mij ben je veilig!"
De vogel staat stil.
Hij houdt zijn kopje scheef.
Met zijn zwarte oogjes kijkt hij rond.
Het is net of hij denkt:
is het echt in orde?
Opeens komt hij toch.
Naar de hand van Tom.
Hij klimt er bovenop.
Tom snapt er niets van.
De vogel lijkt tam!
Hoe kan dat?
Terug...
|